Algiers

 

Stadsaanzicht Algiers, door Charles Rumker (1816)

 

Algiers is gebouwd op de hellingen van het Massif-gebergte (de noordelijke Kleine of Tell-Atlas), die parallel lopen aan de kust van de Middellandse Zee, en strekt zich uit over ongeveer 16 km langs de Baai van Algiers. De stad ligt op het oosten en noorden en dankt haar naam (Arabisch: "De eilanden") aan verschillende kleine eilanden die vroeger in de baai lagen, maar die op één na allemaal met de kust zijn verbonden of zijn uitgewist door havenwerken.

 

 

 

De stad heeft een oude, bewogen geschiedenis. Ze werd gesticht door de Phoeniciërs als een van hun vele Noord-Afrikaanse kolonies. Ze maakte later deel uit van het Carthaagse Rijk, maar kwam in 202 BC onder Romeinse invloed. De Romeinen noemden het Icosium. Dit duurde tot 429 AD toen de Vandalen de stad plunderden. De Byzantijns/Romeinse generaal Flavius Belisarius (500-565) versloeg de Vandalen in 533, maar kwam in feite niet verder dan de controle over een aantal kuststeden en wat binnenlandse nederzettingen. De oorspronkelijke Berberbevolking bleef zich verzetten tegen de indringers en Byzantium maakte zich niet populair door de opgelegde belastingen.

Na een periode van verval leefde de stad weer op. Onder legerleider Uqba bin Nafi al-Fihri begon de islamisering van Noord-Afrika. Vanaf 669 trok hij door Noord-Afrika richting het westen en stichtte de eerste grote islamitische stad in het Maghreb-gebied, Al-Qayrawan, het huidige Kairouan in Tunesië.  In 698 waren de laatste restanten van de Byzantijnse overheersing verdwenen en al in 712 was de gehele regio vanaf Andalusië in Spanje tot de Levant in handen van de Umayyad-kaliefs. De opvolger van Uqba, Abu al-Muhajir Dinar, was verantwoordelijk voor de introductie van de islamitische wetten in Algerije, het bekeren van de Berbers en hij stelde Umayyad-gouverneurs aan die Oost-Algerije bestuurden. Ondanks de bekering van Berbers tot de islam, bleef dit volk trouw aan zijn eigen cultuur en verzette zich tegen de arabisering van haar gebied.

 

In de 10de eeuw werd de macht in Noord-Afrika overgedragen aan de Berberse Ziriden (972-1148). Zij maakten van Algerije voor het eerst in de geschiedenis een zelfstandige, regionale macht. Algiers groeide uit tot een commercieel belangrijke haven.

 

In de vroege 16de eeuw zocht een groot aantal uit Spanje verjaagde moslims en joden hun heil in Algiers, waardoor de commerciële activiteiten nog aanzienlijk werden verhoogd. In diezelfde tijd begon de piraterij op Spaanse handelsschepen in de Middellandse Zee. De Spanjaarden reageerden door het eilandje Peñon in de baai van Algiers te veroveren en te fortificeren (1514), waarop de Algerijnen de hulp inriepen van Turkse kapers. Een van hen, de beruchte Barbarossa (Khayr al-Dīn), slaagde er niet alleen in Peñon op de Spanjaarden te heroveren, maar nam tegelijkertijd ook Algiers zelf in bezit (1529). De stad werd vanaf dat moment onder heerschappij van de Ottomaanse sultan geplaatst, hoewel ze in praktijk grotendeels autonoom bleef. Na Barbarossa’s veroveringen ontwikkelde Algiers zich tot een van de beruchtste kapersteden van Barbarije.

 

Bronnen: o.a. Landenweb, Wikipedia, Delphipages

 

Algiers in de 17de eeuw, naar een kaart van Cornelis Goliath (1617-1660)

Algiers in de 19de eeuw

De Europese mogendheden deden herhaaldelijk ijdele pogingen om de piraten te verslaan, waaronder zee-expedities door de Heilige Roomse keizer Karel V in 1541 en door de Britten en de Nederlanders in de 17de, 18de en 19de eeuw. Pas in 1816 leidde een bombardement op Algiers door een gezamenlijke vloot van Engelse en Hollandse oorlogsschepen tot het einde van de Algerijnse slavenhandel.. In 1830 werd de stad veroverd door de Fransen, die er een militair en administratief hoofdkwartier van hun koloniale rijk in Noord- en West-Afrika van maakten.

 

De haven

Na de verovering van Algiers door Barbarossa werd de haven van Algiers in snel tempo versterkt. Het eilandje Peñon, waarop het Spaanse fort was gebouwd, werd via een ruwe pier met het vasteland verbonden. Een oude bron verwoordt het als volgt: 'Deze verbinding tussen de stad met het
eiland Peñon was armzalig in elkaar gezet, bestond uit enorme rotsblokken van elk 40 ton die op goed geluk op en naast elkaar waren gesmeten. Veenboer’s gevangenen zagen hoe er minstens 500 slaven nodig waren om één blok van het land op een lichter te krijgen eer die op een zwakke plek in de dam kon worden gekieperd. Over de pier was een muur opgericht en daarnaast leidde een ruw stenen weg de stad in.' Deze pier, lokaal bekend als de Khayr ad‐Din Barberousse, wordt in alle latere Nederlandse bronnen de 'moelje' genoemd (volgens het Militair Woordenboek van 1861 'kan een moelje met voordeel dienstig gemaakt worden voor de versterking. Landtongen en eilanden vóór de reede geven gelegenheid om afzonderlijke forten aan te leggen').  Een belangrijke fortificatie dus, die de  kaperschepen van Algiers een beschermde ligplaats bood.

 

Een tweede verdedigingslinie was de haven zelf. Nog vóór de stadsmuren werd langs de hele waterlijn een hoge muur met fortificaties gebouwd, waarin plaats was voor zwaar kaliber geschut. Vanaf zee was de stad daardoor vrijwel onneembaar, wat ook is gebleken: ze heeft uiteindelijk 300 jaar lang weerstand geboden tegen aanvallen van Engelse, Franse en Hollandse marine-eskaders.

Bronnen: o.a. Morphological Evolution of the Port‐City Interface of Algiers, NEDERLANDERS ONDER DE BARBARIJS/TURKSE ZEEROVERS

Peñon,vóór de aanleg van de haven. Bron: Morphological Evolution of the Port‐City Interface of Algiers

De stad

Vanaf de landzijde werd Algiers beschermd door een hoge, omringende stadsmuur met bastions en rondelen (de 'Almohad'), op de hoogste, zuidelijke punt beschermd door het enorme fort Masourah met zijn vele kanonnen. Langs de toegangswegen stonden nog een aantal fortificaties.

 

De stad zelf was verdeeld in een laag (Al-Wata) en een hoog gedeelte (Al-Gabal), van elkaar gescheiden door een oost-west lopende hoofdstraat, die de enige twee stadspoorten met elkaar verbond (zie de kaart). In Al-Gabal bevond zich de oudste wijk: de Kasbah.

 

Gezicht op de oostelijke stadspoort: de Bab Azoun

De Kasbah

De Kasbah van Algiers is een unieke soort medina (= oudste gedeelte van een Islamitische stad). Ze bevindt zich in het hoge gedeelte van de stad en bestaat uit een doolhof aan pleinen, steegjes, trappen en stegen, bebouwd met huizen  en moskeeën: de Ketchaoua-moskee (gebouwd in 1794 door de Dey Baba Hassan) geflankeerd door twee minaretten; Djama'a al-Djedid (1660, ten tijde van de Ottomanen) met zijn grote afgewerkte eivormige koepelpunten en zijn vier koepels; Djamaâ el Kebir (de oudste van de moskeeën), gebouwd door de Almoravidische heerser Yusuf ibn Tashfin; en Ali Bitchin-moskee (Raïs, 1623). De Kasbah bevatte ook verschillende paleizen, waaronder Dar Aziza, Dar Mustapha Pacha, Palace of the Dey en Dar Hassan Pacha, die in 1791 werd gebouwd om de Pasha te huisvesten, die daar acht jaar woonde.

 

De Kasbah speelde een centrale rol tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962). Tijdens de eerste jaren van de oorlog was het het epicentrum van de opstand van het National Liberation Front (FLN), van waaruit het destijds aanvallen op Franse burgers en wetshandhavers in Algerije plande en uitvoerde. Om hun inspanningen tegen te gaan, lanceerden de Franse autoriteiten tijdens de slag om Algiers operaties in de Kasbah.

In 1992 riep de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) de wijk uit tot wereldcultuurerfgoed.

 

Ondanks de enorme historische waarde van de wijk meldde persbureau Reuters in augustus 2008 dat de Kasbah in een staat van verwaarlozing verkeerde en dat bepaalde gebieden het risico liepen in te storten. De ANSS, de natuurbeschermingsorganisatie van de Algerijnse regering, verkondigde dat 373 gebouwen in de Kasbah zijn ingestort. Van de 1816 gebouwen die nog over zijn, is 40% verwoest of in kritieke staat, en 10% is dichtgetimmerd.

De Algerijnse autoriteiten noemen leeftijd, verwaarlozing en overbevolking als de belangrijkste oorzaken van de degeneratie. Overbevolking maakt het probleem bijzonder moeilijk op te lossen vanwege de moeite die het zou kosten om de bewoners te verhuizen. Schattingen lopen uiteen van 40.000 tot 70.000 mensen, al is het vanwege het aantal krakers in leegstaande panden moeilijk met zekerheid vast te stellen. Een van de redenen dat de regering de staat van de Kasbah wil verbeteren, is dat het een potentiële schuilplaats is voor criminelen en terroristen.

 

Bron: o.a. Place and See

 

Over de staat van de Kasbah. Bron: France24

Het paleis van de Dey: El-Djenina

Het paleis van El-Djenina was de residentie van de Dey en stond midden in de Kasbah van Algiers. Het vroegste gedeelte stamde al uit 1519. Achtereenvolgens was het de zetel van de emirs (1519 tot 1585), de pasja's (1585-1659), de aghas (1659-1671) en de deys (1671-1817). Na de toenemende dreiging van concurrerende facties zocht de laatste dey (Ali Khodja) in 1817 onderdak in de citadel van de Kasbah, die meer bescherming bood. Het mocht hem overigens niet baten; hij stierf in 1818 aan de pest. De Fransen bezetten Algiers in 1830. In 1857 werd het paleis door hen gesloopt om plaats te maken voor een kazerne.

Thomas Hees, een van de hoofdpersonen in het boek, werd vele malen op El-Djenina ontboden; hij heeft de pracht en praal van de interieurs en de binnentuinen nog met eigen ogen gezien.

 

Twee afbeeldingen van El-Djenina. Rechts de laatste foto (1856), voordat het gesloopt werd. De klok in de toren werd na 1830 door de Fransen geplaatst.

De bagno's van Algiers

 

Het gros van de witte slaven werd ondergebracht in speciale gevangenissen: de bagno's. Het woord bagno is Italiaans en betekent ‘badhuis’; volgens een hypothese werden de gevangenen in de beginjaren van de Barbarijse zeeroverij ondergebracht in oude badfaciliteiten. Een bagno had de vorm van een omheinde tuin die werd omringd door cellen of kleine ruimtes.

 

In 1531 was er, voor zover bekend, slechts één bagno in Algiers: dat van Barbarossa. Maar hun aantal groeide gestaag. 'Daar houden zij de "christengevangenen achter slot en grendel", schreef Miguel de Cervantes, die van 1575 tot 1580 in Algiers gevangen zat. 'Die van de koning zowel als van de andere heren, en ook die van het almacén, zoals zij ze noemen: wat zoveel wil zeggen als 'gevangenen van de gemeente, die in de stad dienst doen bij uitvoering van openbare werken en andere arbeid. Deze laatste gevangenen kunnen zich moeilijk vrijkopen, want daar zij publiek bezit zijn en geen eigen meester hebben is er niemand om over hun losgeld te onderhandelen, ook al zouden zij daarover kunnen beschikken. Naar deze bagno's plegen sommige particulieren uit de stad hun slaven te zenden, vooral wanneer men een losprijs voor hen denkt te krijgen, want daar kan men hen veilig en wel in bewaring stellen.'

 

In de 17de eeuw waren er minstens acht grote bagno's in Algiers. Het grootste was het bagno grande del rey, waar de slaven van de Dey werden gehouden. Ook slaven van particulieren werden hier ondergebracht. Voor dit voorrecht betaalden de eigenaars een vergoeding aan de gardianen (of guardianes), bewakers die onder bevel stonden van de hoofdopzichter (de guardian pasha). In het bagno grande verbleven zo'n 1500 tot 3000 mensen. De andere staatsgevangenis was het bagno de la bastarda (de gevangenis in het boek waar Kokker en Mooie Han verblijven, zie de stadskaart hierboven) , dat plaats bood aan 500 gevangenen.

 

De bagno's waren gebouwd volgens hetzelfde grondplan: een grote binnenplaats voorzien van een reservoir met vers water, omringd door verdiepingen met cellen.

Overigens waren de bagno's overdag geen afgesloten gevangenissen; slaven die niet hoefden te werken waren van zonsopgang tot zonsondergang vrij om zich te bewegen in het lage gedeelte van de stad (Al-Wata), mits ze zich aan strenge regels hielden. Zo dienden ze altijd een kettingschakel rond hun enkel te dragen en aan de kant te gaan, hun hoofddeksel af te nemen en het gezicht af te wenden bij de nadering van moslims. Slaven die de stadspoorten probeerden te verlaten werden zonder pardon terechtgesteld.

 

Tekst uit: Sultans, slaven en renegaten: de verborgen geschiedenis van de Ottomaanse rijk; andere bronnen: Historiek,

 

Er is geen spoor meer over van de bagno's van Algiers. Een gebouw dat hun uiterlijk het dichtst benadert is misschien de Mendresses Ottoman (Prison de Leonardos) [XVIII] in de Griekse stad Nauplia (Nafpli0).

The Port of Algiers, with the Jamaa Al-Jdid and Jemaa Kebir Mosques (1843), olieverfschilderij door Niels Simonsen (1807-1885)