Brieven en collectes: stemmen uit het verleden

 

Behalve de diverse historische dagboeken van Nederlanders, Engelsen, Fransen en Italianen over hun gevangenschap in Barbarije, is de menselijke maat ook te vinden in de soms schrijnende persoonlijke brieven van tot slaaf gemaakte Nederlanders, die hebben getracht contact te krijgen met thuisfront, kerk of gemeente, uiteraard met het doel om geld te verzamelen voor hun lossing. Het was veelal een hopeloze zaak.

 

1815 - illustratie van een groep christenslaven in Algiers door Walter Croker

 

Abraham Duquesne bevrijdt christenslaven na het bombardement vanAlgiers (1683)

De smeekbede van Jacob Pietersz Molenaar van Wijdenes

In 1739 viel het West-Friese schip 'de Bonte Hond' in 'Turkse' handen. Eén der matrozen was Jacob Pietersz Molenaar van Wijdenes. Het schip was op 8 december 1738 uit Hoorn vertrokken met bestemming Lissabon en Setubal, waar zout werd ingeladen. Op de terugreis werd men nabij Kaap Sint Vincent door twee kaperschepen uit Salé genomen. De bemanning kwam in Marokko terecht. Jacob Pietersz Molenaar had 'geluk': eind 1752 werd tussen de Republiek en Marokko een vredesverdrag gesloten, waarbij ook de lossing van alle gevangenen werd overeengekomen. Op 23 februari 1753 keerde hij na veertien jaar (!) terug in Amsterdam.

 

Op 27 augustus 1741, dus toen hij twee jaar gevangen zat, schreef Jacob Pietersz Molenaar de volgende brief aan de Staten van Holland en West-Friesland (de tekst is ingekort en bewerkt tot enigszins gangbaar Nederlands):

 

“Zeer beminde Edele Grootmogende Heren Staten van Holland en West-Friesland, ik laat Uwe Grootmogende Heren Staten weten dat ik nog gezond ben en wens van Uwe Grootmogende Heren Staten hetzelfde. Was het anders dan zou dat mij leed doen.

Zeer beminde Edele Grootmogende Heren Staten van Holland en West-Friesland, ik, arme gevangen slaaf, val voor Uwe Grootmogende Heren Staten op mijn blote knieën neer en bid U dat gij Uw best wilt doen om ons te verlossen van onze slavernij. (…) 

Voorts laat ik Uwe Grootmogenden weten dat het hier tegenwoordig zeer moeilijk is om aan een stukje brood te komen, maar aan werk en slaag ontbreekt het ons niet. (…) Ik hoop om Gods wil, beminde Edele Grootmogende Heren Staten, dat U het mij niet kwalijk neemt dat ik U hiermee lastig val, maar in grote nood doet men veel. Het zou me niet deren om zo lang als ik leef Uw slaaf of dienaar te zijn, Uwe Grootmogende Heren Staten, als ik maar van dit Barbaarse volk verlost ben en Gods woord nog eens kan horen preken, en ook mijn lieve vrienden weer eens kan zien.

Hiermee verblijf ik, altijd Uw dienstwillige dienaar, en wens Uwe Grootmogende Heren Staten alle zegen en voorspoed van de Heer en hiernamaals de eeuwige vreugde, en wens Uwe Grootmogende Heren Staten honderdduizend maal goedenacht."

 

Bron: Piet Boon, ‘Westfriese zeelieden in Noordafrikaanse gevangenschap’, Tijdschrift Westfriese Families, Kwartaalblad 1985 (jaargang 26), no. 1.

 

Een brief van Barend Roest

Schipper Barend Roest werd in het jaar 1660 gekaapt, maar blijkbaar was hij niet verzekerd bij de Buidel van Assurantie, want hij schreef op 24 augustus van dat jaar:

 

"Beminde huisvrouw Antjen Cornelis,

Ik laat U edele weten dat ik en al ons volk nog gezond van lichaam zijn, maar godbetert in ellendige slavernij zijn terecht gekomen. De 28ste juli benne wij door vier Turkse schepen genomen en de 18de in Azië aangekomen. Ik en de stuurman, de timmerman, Steven Aeres en Jan benne verkocht, maar Pieter en de hoogbootsman nog niet. Ik ben van allemaal nog wel het slechtste af, want er is heel weinig te eten en het zal heel zwaar zijn en veel geld kosten om mij te los te kopen. 

Beminde huisvrouw, ik weet wel dat u uw best voor mij zult doen, hoewel u zelf het geld niet hebt, maar ik hoop dat er nog goede mensen zijn. Beminde huisvrouw, ga met nederigheid te rade bij mijn beminde reders zodat ze barmhartig zullen zijn en dat de lieve God hopelijk zorgt dat ze mededogen met mij zullen hebben. 

Ik hoop, beminde huisvrouw, dat de lieve God u en mijn lieve kindertjes gezondheid mag geven en u sterken zal in deze zware tijd."

 

Gelukkig werd hij in 1662 gelost door de hoogstpersoonlijke bemiddeling van admiraal Michiel de Ruyter, die met een oorlogsvloot voor Algiers lag.

 

Bron: Uitgave Historische Vereniging Texel, 1 september 2008

Collectes

Fragment van een collecteboekje, met toezegging van de diaconieën van Den Hoorn en De Wael. Bron: coll Koninklijk Oudheidkundig Genootschap

 

Voor het gewone volk, en met name de zeelui, was er slechts incidenteel hoop op terugkeer; zij waren afhankelijk van loterijen en collectes die in het vaderland soms werden georganiseerd door gemeente, kerk of particulieren. In Zierikzee bijvoorbeeld werd in 1735 een slavenkas opgericht. Uit algemene middelen werd echter maar heel sporadisch geld vrijgemaakt.

 

Hoe ging men te werk bij het inzamelen van geld? Allereerst werd de medewerking verzocht van de diaconie van de plaatselijke kerk. Gaf die toestemming, dan werd een collecteboekje opgesteld waarmee particulieren, collega-zeelui, gemeente- en kerkbesturen werden benaderd. Wie bereid was geld te geven tekende voor een zelf genoteerd bedrag in en verklaarde zich bereid het geld daadwerkelijk te voldoen nádat de tot slaaf gemaakte in zijn gemeente was teruggekeerd. Er werd dus nog niet betaald, want er bestond natuurlijk altijd de mogelijkheid dat de persoon in kwestie op een andere manier zou vrijkomen (die kans was niet groot) of zou overlijden (dat kwam vaker voor). Zodra het benodigde bedrag volledig was toegezegd kon de procedure tot vrijkoop beginnen.

 

Zie ook: Gedenk de gevangenen alsof gij mede gevangenen waart. De loskoop van Hollandse zeelieden uit Barbarijse gevangenschap. (1985).

 

Hieronder mag duidelijk worden dat dit geen sinecure was.

De collecte voor Jan Cornelisz Decker

Een schrijnend verhaal, en wellicht typerend voor de lange weg die moest worden afgelegd om een tot slaaf gemaakte Nederlander vrij te krijgen, is dat van Jan Cornelisz Decker uit Zwaag, die uiteindelijk het geluk had om na ruim 28 jaar naar huis terug te keren.

 

Onderstaand epos is afkomstig van Piet Boon, uit zijn publicatie ‘Jan Cornelisz Dekker uit Zwaag: een gedwongen ‘gastarbeider’ in Marokko’ (1980). De tekst daaruit is min of meer letterlijk overgenomen, zij het hier en daar ingekort.

 

Als 13-jarige monsterde Jan Decker als scheepsjongen aan op het fluitschip ‘De Kroonvogel’. Op 3 augustus 1715 vertrok het schip vanaf Texel met 17 man aan boord met bestemming Tunis en Genua. Ter hoogte van Kaap Sint-Vincent, de meest zuidelijke punt van Portugal, werd ‘De Kroonvogel’ door een Moors schip met 120 man aan boord gekaapt.
De bemanning werd naar het vaartuig van de zeerovers overgeheveld en in de Marokkaanse haven Larache aan land gezet. Hetgeen met bruut geweld geschiedde.

 

Na 14 dagen werd de bemanning, inclusief Jan Decker, op ezels en muilezels over bergen en dalen en vlaktes naar de hoofdstad Mikenes, nu Meknes, vervoerd. Daar werden de slaven voor de koning geplaatst en aan hem overgedragen, om dan te worden tewerkgesteld bij de bouw van koninklijke verblijven of in wapensmederijen en kruitfabrieken. De kapitein van de zeerovers werd vorstelijk beloond. Een van de zonen van de koning verzocht zijn vader om Jan Decker tot zijn slaaf te mogen hebben. Dat werd toegestaan, zodat hij tot zijn verdriet van de rest van de bemanning werd gescheiden en een onzekere toekomst tegemoet ging.
In de loop van die 28 (!) jaren dat Decker als slaaf gevangen werd gehouden, heeft hij zowel goede als minder goede tijden gekend. Jan Decker werd een aantal keren overgedaan, geruild of verkocht en kreeg dan weer een nieuwe ‘patroon’, zoals hij zelf de nieuwe eigenaar noemde. Herhaaldelijk werd Dekker gedwongen zich ‘tot Moors’ te bekeren, hetgeen hij stelselmatig weigerde, waarmee hij zijn omstandigheden niet bepaald verbeterde..

 

Over de lotgevallen van Jan en over de pogingen om hem los te kopen is vrij veel bekend, omdat in het archief van zijn geboorteplaats Zwaag het één en ander bewaard is gebleven. Blijkbaar is er in de eerste jaren weinig ondernomen om hem vrij te krijgen, want pas op 29 oktober 1724 draagt de vroedschap van Zwaag aan de burgemeesters op om in Hoorn, Amsterdam of elders te informeren naar de toestand en de mogelijkheid tot lossing. Het woordje nogmaals in de notulen van de vroedschap duidt erop dat er over deze zaak niet voor het eerst was gesproken. 

De brief van Jan Cornelisz Dekker aan zijn moeder, 29 december 1724

 

In december 1724 - hij was toen al negen jaar van huis - stuurt een wanhopige Jan Decker een brief aan zijn moeder in Zwaag (ingekorte versie):

 

"Eerwaarde lieve moeder,

 

Ik kan niet nalaten volgens mijn kennelijke plicht om aan mijn moeder te schrijven dat ik nog in goede gezondheid verkeer en ik hoop van mijn lieve moeder en zusters en al mijn goede vrienden hetzelfde. Was het anders dan het zou mij van harte pijn doen.

Mijn lieve moeder, ik heb uw aangename brief van de 10de mei op de 22ste dezer (december) ontvangen en uit de inhoud begrepen dat mijn oom Jan Duijker is overleden. Ik hoop dat God zijn ziel in de eeuwige glorie mag aanvaarden. Verder, mijn lieve moeder, heb ik u niet eerder geschreven, omdat ik hier en dan daar moet zwerven door het land van de Moren. En hoe ik mij moet behelpen, ja, met hetgeen dat op het veld groeit, en daarbij nog slaag krijg, en dat ik geen hele lap vel meer aan mijn voeten heb. Daarom verzoek ik mijn lieve moeder met de hulp van God en goede mensen mij te helpen als het mogelijk is. Ik hoop dat God die goede mensen in wil geven dat zij medelijden met mij mogen hebben, want mijn lossing zal drieduizend gulden moeten kosten. (…)

 

Uw onderdanige zoon.”

 

De vroedschap van Zwaag is inmiddels in actie gekomen: bij loting wordt een viertal personen aangewezen om de West-Friese dorpen (incl. Zwaag 40 in getal) langs te gaan met het verzoek om toestemming voor een huis-aan-huiscollecte of -intekening. Dit was de gewone wijze waarop het losgeld bijeen werd gebracht. Zo’n lossom bedroeg toch gauw een paar duizend gulden en dat konden de familieleden in het algemeen met geen mogelijkheid opbrengen. Bijdragen van dorpsbesturen, armbesturen en diaconieën, collectes (soms door de gehele provincie) en een enkele maal ook loterijen moesten voor de benodigde financiën zorgen.

 

Er bestaan zelfs nog foto's van witte slaven: "Vornehmer Kaufmann mit seinem cirkassischen Sklaven", Christiaan Snouck Hurgronje, ca. 1888

Op 30 januari 1726 brengt de eind 1725 benoemde commissie uit de vroedschap van Zwaag verslag uit. Er wordt besloten om tevens contact op te nemen met de plaatselijke predikant, ds Meinardus Betten, en hem te verzoeken in deze zaak ook zijn best te doen en te overleggen over wat het best kan worden gedaan. Ds Betten, die relaties in Amsterdam heeft, gaat met spoed aan het werk. Hij vraagt de Amsterdamse koopman Jan Mortier om zijn bemiddeling te verlenen.

 

Jan Mortier schrijft op 7 maart een brief aan Jan Decker, waarin hij de ontvangst van zijn brief van 29 december 1724 aan zijn moeder bevestigt. Hij deelt hem mee dat zijn moeder en zusters allen gezond zijn. Omdat er geld ingezameld gaat worden, vraagt Mortier aan Jan of hij weet voor welk bedrag hij zou kunnen worden losgekocht. Uit de berichten van enkele Joodse kooplieden in Amsterdam heeft ds. Betten opgemaakt dat de lossom wel ƒ 4.000,— zou kunnen bedragen. Via Andries van Damme en de Amsterdamse koopman Rijkmanus ter Behn wordt bij de burgemeester en regenten van Amsterdam een verzoek ingediend om met de collectebus te mogen rondgaan.

 

Op 1 augustus 1726 berichten zij ds. Betten dat zij de dinsdag tevoren op audiëntie zijn geweest bij de heren van de Amsterdamse vroedschap. Het verzoek tot het houden van een collecte is afgewezen; eerst dient in het eigen kwartier minstens ƒ 2.000,— bij elkaar te worden gebracht, alvorens het verzoek opnieuw in overweging zal worden genomen.

Nu wordt de zaak te Zwaag in alle ernst aangepakt. De beide burgemeesters van Zwaag zullen in het eigen dorp met de lijst rondgaan. Voor de andere dorpen die in een collecte hebben toegestemd, worden personen uit de vroedschap aangewezen die afspraken zullen maken over tijd en manier waarop deze zal worden gehouden. Ook aan de drie steden Hoorn, Enkhuizen en Medemblik worden 'bedelbrieven’ gezonden.

 

Op 15 augustus 1726 komt er bij de burgemeesters een nieuwe brief van Jan binnen. Deze heeft de op 7 maart verzonden brief van Jan Mortier ontvangen, maar weet geen losprijs te noemen. Daarvoor, schrijft hij, kan men het beste informeren bij kapitein Gerrit Hauwert uit Medemblik die bij hem op bezoek is geweest en op 20 juni weer uit Meknes is vertrokken. Deze weet ongetwijfeld op welke wijze en voor welk bedrag Jan kan worden gelost. Tenslotte dankt hij voor de vijftien gulden die hij via de Hollandse consul in Cadix heeft ontvangen en welk bedrag afkomstig was van het dorpsbestuur van Zwaag.

 

Van allerlei plaatsen, ook buiten West-Friesland (Zaandijk en Koog a/d Zaan) wordt toestemming voor een collecte verkregen. Uit een brief van een diaken uit Medemblik blijkt dat kapitein Hauwert inderdaad over Jan heeft gesproken en dat de lossom °op ƒ 3.000,- wordt geschat. De diakonie van Medemblik zelf kan helaas nog geen bijdrage in het vooruitzicht stellen, omdat nog wordt onderzocht of twee burgers uit hun eigen gemeente kunnen worden gelost. Op 20 mei 1727 stellen de beide burgemeesters en de predikant een lijst op van de tot op dat ogenblik toegezegde gelden: uit in totaal 90 dorpen en steden is een bedrag van ƒ 2615,- toegezegd. 

 

Er wordt opnieuw contact met Amsterdamse kooplieden gezocht, waarbij een nieuwe bemiddelaar in de persoon van Carolus Hanekops ten tonele verschijnt. Van hem ontvangt de vroedschap van Zwaag op 27 oktober 1727 een brief, waarin hij hen meedeelt dat Jan Cornelisz Dekker vermoedelijk voor f 2500,- kan worden vrijgekocht. Carolus Hanekops wordt gemachtigd te onderhandelen en om het genoemde bedrag ten laste van dorp Zwaag te lenen.

 

Het geld wordt aan Carolus Hanekops overhandigd, die het op zijn beurt weer ter hand stelt aan ene Hendrik Bokelman. Deze Amsterdamse koopman zal trachten via zijn correspondenten in Salé (een Marokkaanse havenplaats) de lossing te realiseren. Begin november kan Bokelman met zijn pogingen beginnen. Het terrein der activiteiten verplaatst zich nu naar Salé. Aangezien de communicatie in die dagen wat minder snel verliep dan nu, is het begrijpelijk dat er geruime tijd verstrijkt voor er nieuws is. Op 29 juli 1728 schrijft Hanekops in een brief aan de heren in Zwaag dat hij onlangs op de beurs Bokelman heeft gesproken, die hem een op 28 mei gedateerde brief van zijn correspondenten uit Salé liet lezen. Deze melden dat zij met de gouverneur in Salé zijn overeengekomen om Jan te lossen. Zij verwachten hem eigenlijk iedere dag, maar een onverwacht oproer, waardoor de regerende koning van de troon is gestoten, heeft roet in het eten gegooid. De gouverneur durft de slaven nu niet uit Meknes naar Salé te laten komen. De correspondenten vragen nog een weinig geduld; het zal niet lang meer duren.

In 1684 verschijnt het boek ‘Historie van Barbaryen en des zeerovers’ van Pieter Dan die in 1634 als bemiddelaar naar Algiers vertrekt om Hollandse slaven vrij te kopen. Hij is daar getuige van de wrede behandeling die de Hollandse slaven ondergaan. Het voorblad van het boek toont een Hollandse geestelijke die een zak geld aan een Ottomaanse slavenhouder aanbiedt om landgenoten vrij te kopen. Op de achtergrond zien we slaven die gemarteld worden en door een slavendrijver voortgejaagd worden.

Bron: Over Amsterdam

Op 27 september schrijft de vroedschap van Zwaag een brief aan Hanekops in verband met de verslechterde situatie in Marokko. Zij vragen het bedrag van ƒ 2500,— terug, omdat het niet eenvoudig is de rente daarvan op te brengen. Indien nodig kunnen zij het geld op zeer korte termijn weer beschikbaar stellen. Hanekops bespreekt de zaak met Bokelman, die wel bereid is om zijn pogingen te staken, maar daarvan dan eerst zijn correspondenten bericht wil doen en tot zolang moet hij over het geld kunnen beschikken. Omdat het postverkeer tijdelijk onmogelijk is, dient dit bericht te worden verzonden met het eerstvolgende schip naar Salé. Al met al zal het wel minstens drie maanden duren.

 

De vroedschap van Zwaag stelt nog enkele pogingen in het werk om het geld terug te krijgen en toch de kans op lossing te behouden, maar Bokelman voelt daar niets voor. Omdat de situatie in Marokko nog meer verslechtert, deelt de vroedschap uiteindelijk mee van lossing af te zien. Bokelman bericht dan ook dat hij zo snel mogelijk de opdracht tot lossing zal intrekken.

 

Op 16 november komt Bokelman bij Hanekops met een tweetal brieven: één van onze hoofdpersoon Jan zelf (d.d. 26 juli), gericht aan zijn moeder, en één van de coorespondenten uit Salé (d.d. 27 september), waarin zij meedelen dat Jan Decker voor 550 dukaten (2200 gulden) kan worden gelost. Zij zullen daarover snel een brief schrijven aan de Bassa (onderkoning) van Meknes. Deze ontwikkelingen veranderen echter niets aan het door de vroedschap ingenomen standpunt om van lossing af te zien.

 

Wel informeren zij bijna een halfjaar later, namelijk op 9 april 1729, bij Hanekops naar eventuele berichten uit Salé. Deze meldt hen dat’ hij regelmatig bij Bokelman heeft geinformeerd, maar dat deze onlangs uit Sale bericht heeft ontvangen dat Jan Decker binnenkort aldaar kan zijn. De correspondenten zullen hem dan met het eerst vertrekkende schip naar Europa zenden. Dat zij toch met hun bemiddeling zijn doorgegaan hangt volgens Hanekops samen met het feit dat zij reeds in onder- handeling waren en het afbreken daarvan voor hen gevaarlijk had kun- nen zijn.

Hun poging heeft echter toch geen succes en op 16 september 1729 laat Bokelman aan Hanekops weten dat er geen kans meer is op lossing van Jan, omdat de nieuwe koning van Marokko geen voorstander is van de lossing van christenslaven. Bokelman wil dan ook de nog steeds onder hem berustende ƒ 2500,— terugbetalen - hetgeen ook gebeurt - zodat de in november 1727 door de vroedschap van Zwaag gesloten leningen kunnen worden afgelost.

 

Toch blijft het lot van Jan nog onder ieders aandacht. Begin 1730 ontvangt Bokelman een brief van zijn Salése correspondenten, die hem berichten dat de koning van Marokko enkele slaven hun vrijheid wil hergeven. Of het hier dezelfde koning betreft als degene die in 1729 een veel onwelwillender houding aannam is onduidelijk; machtswisselingen kwamen regelmatig voor. In ieder geval hebben de correspondenten gevraagd of Jan  ook onder de gelukkigen zou kunnen zijn. De vroedschap van Zwaag, door al het voorgaande misschien wat sceptisch geworden, deelt mee dat het losgeld pas kan worden verstrekt als de slaaf ’in christenland’ is.

 

Via Hanekops laat Bokelman weten dat als Jan op een Engels schip wordt gezet men niet bang behoeft te zijn dat hij opnieuw gevangen wordt genomen. De Engelsen hebben immers vrede met de Saleërs. Een hernieuwde gevangenneming zou een ramp hebben betekend: men was het losgeld kwijt en de gehele procedure zou opnieuw moeten beginnen! Bokelman vraagt voor zijn bemiddeling een vergoeding van 3% van het losgeld buiten de door hem gemaakte kosten. Voorts stelt hij dat het risico van overlijden voor de vroedschap van Zwaag is, d.w.z. dat als Jan Decker komt te overlijden voor hij in christenland is, de vroedschap van Zwaag toch verplicht is het losgeld te betalen.

 

Op 22 mei 1730 laten de Zwagers weten dat het geld pas kan worden verstrekt als Jan in christenland of, nog liever, als hij in Amsterdam is aangekomen. Voorts vragen zij of er geen mogelijkheid bestaat om hem voor de reis naar Amsterdam te verzekeren.  Blijkbaar werd men het niet eens, want Jan wordt niet gelost. De vroedschap laat de zaak nu ook een aantal jaren rusten. In hun resoluties wordt althans met geen woord meer over het lot van hun dorpsgenoot gerept.

Uit het boek van Pieter Dan: mishandeling van Hollandse slaven. Bron: Over Amsterdam

Pas op 14 november 1737 komt de zaak weer aan de orde. De burgemeesters heb ben bericht ontvangen dat de Staten-Generaal voornemens zijn enkele bij de koning van Marokko gevangen zijnde slaven te lossen. Het lijkt raadzaam om te informeren of men snel over de in 1726 gecollecteerde gelden kan beschikken. De vroedschap besluit echter om hiervoor geen moeite te doen aleer bekend is of Jan ook werkelijk zal worden gelost. Het blijkt inderdaad niet zo snel te gaan, want pas eind 1739 besluit de vroedschap de Staten-Generaal te vragen om voor Jan ƒ 1000,— beschikbaar te stellen. Als dit door de Staten-Generaal zou worden toegestaan kan uit de in 1726 voor Jan gecollecteerde gelden nog eens ƒ 1000,— worden betaald.

 

Niet alleen de Staten-Generaal blijken zich met het lot der slaven in Marokko bezig te houden, ook de Staten van Holland en West-Friesland (het hoogste bestuursorgaan in het machtige Holland) buigen zich over de problemen. Op 13 januari 1740 ontvangen zij een verzoekschrift van diverse ouders, vrouwen en verdere familieleden van tot slaaf gemaakten, waarin ook de naam van Jan opduikt, 'die reeds vierentwintig jaren in slavernij is geweest’. De Staten wordt verzocht om ook in het losgeld bij te dragen, een gelijk verzoek dus als de vroedschap van Zwaag aan de Staten-Generaal heeft gedaan.

 

Vanuit Meknes blijft men brieven naar Holland sturen. Op 30 juni 1740 schrijven Jacob Gerritsz de Vries en Pieter de Boer een 'missive’ waarin zij het ellendige lot der Nederlandse slaven schilderen: 'Zij leven al vele jaren in armoede en ellende, sommigen al vanaf 1714'; dit laatste slaat ongetwijfeld op Jan Decker!

 

Drie jaar later, in 1743, kwam het onverwachte bericht dat veertien christenslaven, waaronder Jan, als onderdeel van een handelsverdrag, alsnog de vrijheid tegemoet konden zien. Na een barre tocht van 21 dagen kwam de groep in Tetuan aan om aldaar met het oorlogsschip ‘De Brak’ de thuisreis te aanvaarden. Op 22 september 1743 kwam Jan Dekker, na ruim 28 jaar, behouden in Zwaag aan.

 

Bronnen:
‘Jan Cornelisz Dekker uit Zwaag: een gedwongen ‘gastarbeider’ in Marokko’. Piet Boon in West-Friesland's Oud en Nieuw 47 (1980), p. 16-28.
‘Een Westfriese zeeman als slaaf in Barbarije’ Verslag van de belevenissen van een Westfriese zeeman in Marokko, 1715-1743, met een inleiding van Piet Boon, Uitgeverij Pirola, Schoorl, 1987.

Tijdschrift voor zeegeschiedenis, april 1986

Het West-Fries Genootschap

 

Paleis op de Dam, 1683. ‘Verloste Slaaven Bedancken de Heeren Burgermeesteren van Amsterdam op het Stadthuys voor haer Verlosinghe’. Het Amsterdamse stadsbestuur organiseerde regelmatig collectes en bemiddeling om Amsterdammers uit Ottomaanse slavernij te bevrijden. Thomas van Hees was als commissaris van de Republiek de bemiddelaar die deze slaven in 1682 vrij kocht. Van 1675 tot 1683 verbleef hij regelmatig in Algiers om te onderhandelen. In de tussentijd gingen de kapingen gewoon door en tussen 1675 en 1680 werden minstens 28 Hollandse schepen inclusief 300 man/vrouw bemanning gekaapt. Dat is wel altijd nog minder dan de 160 Britse schepen inclusief 9000 Engelsen die in datzelfde tijdsbestek werden gekaapt en ontvoerd. Op 6 februari 1683 voer Van Hees met 197 bevrijde slaven terug naar Holland, 178 daarvan bezochten een speciale plechtigheid in het Amsterdamse stadhuis om hun vrijheid te vieren. Prent van Jan Luyken. Bron: Over Amsterdam