Renegaten

 

 

Een opmerkelijke groep in de Barbarijse kapersteden vormden de renegaten, en met name die van West-Europese oorsprong. Renegaten waren van oorsprong christenen die - al dan niet gedwongen - waren bekeerd tot de islam.

 

Het succes van de Barbarijse zeerovers trok ook Europese avonturiers aan, en dan met name ervaren schippers, stuurlui en navigators, vaak mannen die al in dienst van de Engelsen, Fransen of Hollanders in de kapervaart hadden gezeten. Dit soort kerels waren meer dan welkom, want ze boden de piraten de mogelijkheid om grotere, Europese schepen te bemannen en zo hun jachtgebied te vergroten. Er was maar één voorwaarde: men moest zich afkeren van het christelijke geloof en de islam omarmen. De meeste hadden hier geen enkele moeite mee; je mag je afvragen of hun toewijding aan het nieuwe geloof erg groot was, maar van religie veranderen en winsten verkrijgen die werden geclassificeerd als oorlogsbuit in plaats van als eenvoudige diefstal, waren tactieken die veel piraten aanspraken.

Onder leiding van deze hooggeplaatste renegaten lukte het de kapers om op veel grotere schaal huis te houden. Met de buitgemaakte Europese schepen konden ze veel verder gaan dan de Middellandse Zee en breidden hun jachtgebied uit tot de Atlantische Oceaan en zelfs de Noordzee. Die schaalvergroting leidde echter ook tot een steeds grotere vraag naar ervaren zeelui, niet alleen schippers en andere officieren, maar vooral naar gewone, bevaren matrozen.

 

Tot slaaf gemaakte zeelui werden dan ook in de regel voor de keus gesteld: bekeer je tot de islam en deel mee in de opbrengsten van de piraterij, of slijt je leven als slaaf en dwangarbeider. Zo op het eerste gezicht lijkt die keus niet moeilijk ('liever vechten op zee dan creperen in de steengroeve'), maar voor een Europeaan, of hij nu katholiek of protestants was, leverde dit een zwaar moreel dilemma op: door het christelijk geloof af te vallen werd elke kans om naar huis terug te keren definitief afgesneden.

In de loop van de 17de eeuw werden de Nederlandse autoriteiten in toenemende mate geconfronteerd met landgenoten die zich – al dan niet noodgedwongen – tot de islam hadden bekeerd. Voor de gemeenschap, die een lidmaat verloor, was het een verraad aan God, kerk en familie. Het verlaten van het christelijke geloof was een afvalligheid die door alle Nederlandse christenen, van welke gezindte dan ook, even heftig werd veroordeeld. De Staten-Generaal verklaarden dat het redelijk zou zijn om renegaten te straffen net zoals de Turken moslims straften die waren overgegaan tot het christendom: d.m.v. executie.

Bron: Moslims in de Republiek, Benjamin Kaplan (2006).

 

 

Barbarijse kapervlaggen

Noot: het woord 'renegaat' had op zichzelf al een negatieve bijklank. De oorsprong ligt in het Latijnse 'renegare', wat verloochenen betekent; een renegaat was dus iemand die zijn geloof afviel. Een bekend spreekwoord uit die tijd was: 'Een renegaat is nog erger dan een Turk', m.a.w.: 'een vroegere vriend is gevaarlijker dan een oude vijand'.

Barbarijse kaper. Dit zou Murat Reïs kunnen zijn, oftewel Jan Janszoon uit Haarlem (1575-?), een van de beruchtste kapers uit Salé (Marokko)

 

Sommige renegaten probeerden van twee walletjes te eten. Het was niet ongewoon voor de afvalligen om een geavanceerd dubbelspel te spelen om ervoor te zorgen dat ze met beide benen op de grond kwamen, ongeacht in welk kamp ze belandden. Of, zoals Cervantes schrijft over een Spaanse afvallige uit Murcia:

 

“[…] renegaten hebben immers vaak, als zij van plan zijn naar christengrond terug te keren, enkele verklaringen van aanzienlijke krijgsgevangenen bij zich, waarin dezen naar beste kunnen bezweren dat de renegaat in kwestie een fatsoenlijk man is die de christenen altijd goed heeft behandeld, en dat hij bij de eerste gelegenheid die zich voordoet wil vluchten. Er zijn er die met goede bedoelingen op dit soort verklaringen uit zijn; anderen maken er als het zo uitkomt listig gebruik van: als zij op christengrond gaan roven en toevallig verdwalen en gevangen worden genomen, halen zij ze tevoorschijn en zeggen dat aan die papieren de reden van hun komst te zien is, namelijk op christengrond te blijven, en dat zij daarom met de Turken op kaapvaart zijn gegaan. Zo ontsnappen zij aan de eerste woedeaanval en verzoenen zich met de Kerk zonder dat hun iets wordt gedaan; maar zodra zij hun kans schoon zien, keren ze naar Barbarije terug om te worden wat ze vroeger waren. Er zijn er ook die deze papieren te goeder trouw gebruiken en proberen te bemachtigen, en op christengrond blijven.”

– Miguel de Cervantes Saavedra, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, vert. Barber van de Pol, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1997, deel 1, hoofdstuk 40.

 

Tot de afvalligen die liever een been in beide kampen hadden, kan de Nederlander Jan Janszoon van Haarlem gerekend worden, een van de gevaarlijkste zeerovers van zijn tijd, die naar Marokko verhuisde en de naam Murat Raïs aannam. Hij leidde de Barbarijse zeerovers in de periode tussen 1620 en 1640 helemaal naar Ierland en IJsland in zijn jacht op slaven. Tussen zijn rooftochten door keerde Jan als een goede Nederlandse huisvader terug naar de Nederlanden om zijn vrouw en kinderen te begroeten. Als hij in zijn thuisland zat en begon te vrezen voor zijn veiligheid ging hij weer aan boord en zette zijn wilde piratenleven voort. In de herfst van zijn leven, toen Jan te oud was om in het buitenland te plunderen, maar nog steeds verlangde naar zijn geliefden, probeerde hij tevergeefs zijn dochter over te halen om naar Marokko te verhuizen en hem gezelschap te houden.

 

Zonder deze deserteurs uit het christendom zouden de Barbarijse zeerovers nooit zulke grote successen hebben behaald. De afvalligen brachten technologie en kennis met zich mee, niet in het minst praktische loodsvaardigheden en kennis van de geografie van christelijk Europa. In de tweede helft van de zeventiende eeuw werden ze echter steeds minder in aantal op de schepen van de Barbarijse zeerovers zelf, maar op het Noord-Afrikaanse vasteland bleven sommigen tot ver in de achttiende eeuw een belangrijke rol spelen. Toen een Britse missie in 1727 in Marokko aankwam om slaven vrij te kopen, ontdekten ze tot hun verrassing dat de enige kanonnengieterij van de sultan niet door Marokkanen werd gedreven, maar door een Ier die Europa had verlaten en Noord-Afrikaan was geworden.

Bron: Historiek, De Barbarijse zeerovers en hun christenslaven

 

Filmpje over Murat Reis (in het Turks, maar Engels ondertiteld).

 

Het is nauwelijks te achterhalen hoe groot het aandeel renegaten was op de bevolking van Algiers. Joost Vermeulen doet in zijn boek 'Sultans, Slaven en renegaten' desondanks een poging: